De regeling van de verborgen gebreken (2)

pag. 1 | pag. 2 | pag. 3

2 Implementatie van de Richtlijn 1999/44/EG

III.2.1 Implementatie in de Nederlandse wet

In Nederland is het gebruikelijk om de Europese richtlijnen op het gebied van het privaatrecht zoveel mogelijk in het Burgerlijk Wetboek te verwerken.[i] De richtlijn consumentenkoop is in Nederland bij wet van 6 maart 2003[ii] in het Burgerlijk Wetboek opgenomen, dus ruim een jaar later dan volgens art. 11 van de richtlijn voorgeschreven was. Daar is een redelijk lang proces aan voorafgegaan.

Zoals in de tweede paragraaf van hoofdstuk II al is aangegeven, was het wetsontwerp voor titel 7.1 van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek van 1992 gebaseerd op twee vooront­werpen. Met name onder invloed van het voorontwerp inzake de consumentenkoop waren reeds verschillende bepalingen ter bescherming van consumenten in het nieuwe wetboek terechtgekomen. Het leerstuk van de non-conformiteit was al onder invloed van de LUVI in het wetboek van 1992 opgenomen. Omdat de opvolger van de LUVI, het Weens Koopverdrag[iii], model heeft gestaan voor de Richtlijn 1999/44/EG[iv], waren de uitgangspunten van de richtlijn consumentenkoop dus al in grote mate in het Nederlandse kooprecht geïntegreerd. Desondanks was het Nederlandse wetboek van 1992 niet geheel in overeenstemming met de bepalingen van de richtlijn. Daar waar de richtlijn een strenger regime voorstond, moest de Nederlandse wet nog worden aangepast.[v]

Op het gebied van de rechtsmiddelen van de koper in het geval van een gebrek aan overeenstemming van de geleverde zaak waren strikt genomen geen aanpassingen noodzakelijk omdat alle in de richtlijn genoemde acties (herstelling en vervanging evenals prijsvermindering en ontbinding, art. 3 lid 2 van de richtlijn) reeds in het Nederlandse wetboek te vinden waren. Zo bood art. 7:21 van het Burgerlijk Wetboek van 1992 de koper de mogelijkheid om bij non-conformiteit aflevering van het ontbrekende, herstel of vervanging van de afgeleverde zaak te vorderen. Andere rechtsmiddelen van de koper waren (en zijn) de ontbinding van de koopovereenkomst en de prijsvermindering (als bijzondere vorm van de gedeeltelijke ontbinding) op grond van art. 6:265 BW resp. art. 6:270 BW onder de daar genoemde voorwaarden. De koper had volgens dit regime de vrije keuze uit de verschillende rechtsmiddelen. Hoewel volgens de richtlijn slechts een minimum-harmonisatie is voorgeschreven, heeft de Nederlandse wetgever ervoor gekozen om toch de hiërarchie van de remedies bij non-conformiteit in te voeren, echter uitsluitend voor de consumenten­koop.[vi] Vandaar dat art. 7:22 van het BW van 1992 op een zodanige manier is gewijzigd dat de rechtsmiddelen ontbinding (lid 1 onder a) en prijsvermindering (lid 1 onder b) uitdrukkelijk zijn toegevoegd, maar wel subsidiair zijn gemaakt aan de acties herstel en vervanging (lid 2).

Verder is ter omzetting van de richtlijn een aantal leden toegevoegd aan art. 7:21 BW van 1992 waarin is vastgelegd in welke gevallen de consument-koper geen recht heeft op herstel en vervanging. Bovendien is de in de richtlijn als facultatieve mogelijkheid genoemde meldplicht van de koper (op straffe van verval van zijn rechten uit non-conformiteit, art. 5 lid 2) in het Nederlandse wetboek in art. 7:23 lid 1 opgenomen. In de laatste zin van lid 1 is bepaald dat bij een consumentenkoop de kennisgeving aan de verkoper geacht wordt tijdig te zijn geschied als deze binnen een termijn van twee maanden na ontdekking van het gebrek is gedaan.

Een aanpassing die in tegenstelling tot de bovengenoemde wel noodzakelijk was, omdat de richtlijn op dat gebied een hogere bescherming aan consumenten bood, was de toevoeging van lid 2 aan art. 7:18 BW van 1992. Daarmee werd het vermoeden dat het gebrek al op het tijdstip van aflevering bestond als het zich binnen zes maanden vanaf de aflevering manifesteert (art. 5 lid 3 van de richtlijn) en zodoende de omkering van de bewijslast ten gunste van de consument in de Nederlandse wet opgenomen.

Hoewel de noodzakelijke wijziging van de Nederlandse wet – vooral ook in vergelijking met andere EU-lidstaten – beperkt was[vii], heeft deze desondanks lang op zich laten wachten.[viii] In het vervolg van dit hoofdstuk zal eerst worden ingegaan op de implementatie van de richtlijn in drie andere Europese landen. Daarna zullen de aanpassingen van de verschillende wetgevingen in hun onderlinge samenhang worden bekeken.

III.2.2 Implementatie in andere Europese landen

In deze paragraaf zal een indruk worden gegeven van de wijze waarop Duitsland, België en Frankrijk met de implementatie van Europees recht, met name van de richtlijn 1999/44/EG, in hun wetgeving omgaan.

a) Duitsland

In Duitsland werden drie Europese richtlijnen aangegrepen om tot een algehele herziening van het door menigeen als verouderd beschouwde verbintenissenrecht te komen. Dit waren de richtlijn 2000/31/EG betreffende e-commerce van 8 juni 2000, de richtlijn 2000/35/EG betreffende betalingsachterstand van 29 juni 2000 en met name de hier besproken richtlijn 1999/44/EG van 25 mei 1999 betreffende de consumentenkoop.

Het Duitse Burgerlijk Wetboek (Bürgerliches Gesetzbuch (BGB)) dateert uit het jaar 1900 en er werd al meer dan 20 jaar over zijn vernieuwing, in het bijzonder van het verbintenissenrecht, gediscussieerd. Een in 1984 in het leven geroepen commissie had in 1991 een afsluitend rapport[ix] voorgelegd dat voor het grootste gedeelte beïnvloed was door het voor Duitsland in 1988 in werking getreden Weens Koopverdrag. Dit rapport werd in het algemeen goed ontvangen, maar vanwege de naderende invoering van de richtlijn consumentenkoop en de regeringswisseling[x] werd er tot het jaar 2000 geen gevolg aan gegeven. In dat jaar publiceerde het Duitse Ministerie van Justitie een discussiestuk op basis van het rapport van de bovengenoemde commissie waarin vrij radicale veranderingen van het verbintenissenrecht werden voorgesteld. Ondanks de hevige kritiek van Duitse rechts­geleerden werd op basis van dit discussiestuk in rap tempo een wetsvoorstel uitgewerkt dat op 1 januari 2002 in werking is getreden.[xi]

In het kader van deze scriptie zullen – net als bij de beschrijving van de aanpassingen in het Nederlandse wetboek – alleen die wijzigingen van het Duitse verbintenissenrecht worden besproken die samenhangen met de remedies van kopers in het geval van gebreken van gekochte zaken.[xii]

In het Duitse recht van vóór 1 januari 2002 werd op drie punten een belangrijk onderscheid met betrekking tot gebreken van goederen gemaakt.[xiii] Het eerste onderscheid betrof de vraag of het gebrek te maken had met de feitelijke kwaliteit (zgn. Sachmangel) of met zijn juridische kwaliteit (zgn. Rechtsmangel). Een tweede onderscheid hield verband met de vraag of de geleverde zaak in kwaliteit, in kwantiteit (Minderlieferung of minus) of naar soort (Anderslieferung of aliud) afweek van het overeengekomene. Het derde onderscheid dat werd gemaakt, had betrekking op gevallen waarin niet de gekochte zaak zelf gebrekkig was maar bijkomende verplichtingen waren geschonden. Deze differentiatie was van belang voor de vraag of de algemene regeling van de Vertragsverletzung (met een verjaringstermijn van 30 jaar) toepasselijk was of de specifieke regeling van het Kaufrecht (met verjaringstermijnen vanaf zes maanden). Bovendien bevatte het Duitse Burgerlijk Wetboek speciale voorschriften voor de koop van vee (§ 481 e.v. BGB).[xiv] De regeling van de gebreken die in het Duitse wetboek te vinden was, was – afgezien van de speciale regeling voor dieren – geheel in overeenstemming met de Romeinse regeling[xv] maar in de Duitse rechtspraak en literatuur zijn op het gebied van de aansprakelijkheid van de verkoper voor schade geleden door de koper tengevolge van de gebrekkige zaak (Mangelfolgeschaden) andere regels ontwikkeld.[xvi]

De invoering van de richtlijn consumentenkoop heeft ervoor gezorgd dat de boven beschreven onderscheiding van de verschillende gebreken nu niet meer wordt gemaakt. Het conformiteitscriterium van art. 2 van de richtlijn is in het Duitse BGB opgenomen in § 434 en § 435 en de rechtsmiddelen van de koper in het geval van non-conformiteit (art. 3 richtlijn) zijn te vinden in § 437 e.v. BGB. Daarbij zijn zowel de kring van rechtsmiddelen (§ 437) als hun hiërarchie (§§ 439-441) inhoudelijk geheel in overeenstemming met de richtlijn opgenomen. De omkering van de bewijslast met betrekking tot het bestaan van een gebrek volgens art. 5 lid 3 van de richtlijn is nu eveneens in het Duitse wetboek te vinden maar is – als een van de weinige bepalingen in het Duitse kooprecht[xvii] – uitsluitend van toepassing verklaard op consumentenovereenkomsten (§ 476 jo. 474 BGB). Tijdens het wetgevings­proces stond ter discussie[xviii] om ter bescherming van de verkoper in dit verband aan de koper de plicht op te leggen om de verkoper binnen twee maanden na vaststelling van het gebrek hierover te informeren (art. 5 lid 2 richtlijn (facultatief)) maar daarvoor is uiteindelijk niet gekozen.[xix]

Onder invloed van de richtlijn zijn ook de vele verschillende termijnen van verjaring van de rechten van de koper verdwenen die in het oude Duitse recht bestonden. In art. 5 lid 1 van de richtlijn wordt de termijn waarbinnen de verkoper aansprakelijk is voor non-conformiteit, gesteld op minstens twee jaar (met een mogelijke uitzondering voor tweede­handsgoederen, zie art. 7). Op voorstel van de Schuldrechtskommission bedraagt de nu in Duitsland geldende algemene termijn in beginsel drie jaar (§ 195 BGB). Voor de naar aanleiding van de richtlijn ingevoerde rechtsmiddelen van de koper in het geval van non-conformiteit op grond van § 437 BGB geldt een verjaringstermijn van twee jaar (§ 438 lid 1 sub 3).

Ten slotte verdient vermelding dat de hervorming van het Duitse verbintenissenrecht onder invloed van de richtlijn consumentenkoop niet alleen gevolgen heeft gehad voor het kooprecht maar ook voor twee andere rechtsgebieden: de algemene leer van de Leistungs­störungen (te vergelijken met de Nederlandse tekortkoming in de nakoming) en de wetgeving op het terrein van de consumentenbescherming die inmiddels volledig in het Duitse Burgerlijk Wetboek geïntegreerd is.

b) België

In België wordt de richtlijn consumentenkoop geïmplementeerd door de Wet betreffende de bescherming van de consumenten bij verkoop van consumptiegoederen.[xx] Hier is ervoor gekozen om een nieuwe afdeling IV in Boek III, Titel VI, Hoofdstuk IV van het Belgische Burgerlijk Wetboek (BBW) in te voegen[xxi] en om art. 1604 van het wetboek te wijzigen. In de volgende alinea’s zullen wederom alleen die wijzigingen worden besproken die samenhangen met de remedies van de koper in het geval van (verborgen) gebreken.

In het Belgische kooprecht van vóór de implementatie van de richtlijn consumentenkoop had de verkoper twee hoofdverplichtingen: een leveringsverplichting (verplichting tot overdragen van de verkochte – lees: contractsconforme – zaak) en een vrijwaringsverplichting met betrekking tot uitwinning en met betrekking tot verborgen gebreken. Dit betekende dat er twee aansprakelijkheidsregimes waren met ieder zijn eigen toepassingsvoorwaarden, sancties en remedies. In het kader van de vrijwaringsregeling voor verborgen gebreken had de koper de keuze uit (gerechtelijke) ontbinding (actio redhibitoria) of prijsvermindering (actio aestimatoria of quanti minoris). Daarnaast was volledige schadevergoeding mogelijk als de verkoper te kwader trouw was. De vrijwaringsvordering moest binnen een korte termijn worden ingesteld waarbij het aan de feitenrechter was om het begin en de duur van deze termijn met inachtneming van alle omstandigheden van het geval vast te leggen.

In de bovengenoemde wet ter implementatie van de richtlijn consumentenkoop is bepaald dat een nieuw lid aan art. 1604 BBW wordt toegevoegd waarin het conformiteits­begrip uit de richtlijn (art. 2 lid 1) wordt overgenomen.[xxii] Verder wordt er een nieuwe afdeling IV (art. 1649bis – 1649octies) ingevoerd die uitsluitend van toepassing is op elke nationale en internationale verkoop van roerende zaken door een professionele verkoper aan een consument (art. 1649bis). In art. 1649ter worden de conformiteitscriteria uit art. 2 lid 2 van de richtlijn letterlijk overgenomen en in art. 1649quater lid 4 wordt de omkering van de bewijslast gedurende een termijn van zes maanden met betrekking tot het bestaan van een gebrek ten tijde van de aflevering uit art. 5 lid 3 omgezet. Dit is een groot verschil ten opzichte van de oude Belgische regeling volgens welke de koper degene was die moest bewijzen dat het gebrek tenminste “in de kiem bestond”[xxiii] bij de contractsluiting of bij de risico-overgang.

De vier remedies van de koper in het geval van non-conformiteit uit de richtlijn (art. 3 lid 2) zijn in art. 1649quinquies BBW bijna letterlijk overgenomen. Deze verschillen aanzienlijk van de rechtsmiddelen die de koper had onder de oude regeling van de verborgen gebreken (art. 1644). Zoals gezegd, had de koper daar de keuze tussen ontbinding of prijsvermindering zonder dat een gedwongen nakoming “in natura”, door middel van herstel of vervanging van de gekochte zaak, wettelijk mogelijk was. In de richtlijn wordt juist ervan uitgegaan dat de koper eerst aanspraak moet maken op herstel en vervanging van de gebrekkige zaak voordat hij überhaupt toekomt aan de rechtsmiddelen ontbinding en prijsvermindering (art. 3 lid 3 richtlijn).

Ook de verjaringstermijn van twee jaar (art. 5 lid 1 richtlijn) wordt in de nieuwe Belgische regeling overgenomen (art. 1649quater lid 1 BBW) hoewel dit een strengere regeling tot gevolg heeft dan die onder het oude Burgerlijk Wetboek. In de oude regeling was namelijk geen termijn vastgelegd waarbinnen een gebrek moest of had moeten worden ontdekt.[xxiv] Deze termijn was afhankelijk van de aard van de verkochte zaak en de aard van het gebrek. De nieuwe termijn van twee jaar wordt wel daardoor verzacht dat er in bepaalde gevallen een opschorting mogelijk is (tweede zin van lid 1). In het tweede lid van art. 1649quater wordt voor de partijen de mogelijkheid geopend om (facultatief) een termijn vast te leggen waarbinnen de koper het gebrek aan de verkoper moet melden. In het derde lid van dit artikel wordt een echte verjaringstermijn voor de vordering van de consument ingevoerd, namelijk één jaar na vaststelling van het gebrek. In het oude Belgische Burgerlijk Wetboek verjaarde de vrijwaringsvordering voor verborgen gebreken binnen een “korte termijn” (zie boven). Ten slotte wordt in art. 1649octies de bepaling uit art. 7 lid 1 van de richtlijn omgezet door vast te leggen dat bedingen waardoor de aansprakelijkheid van de verkoper wordt beperkt of uitgesloten, nietig zijn.

Het bovenstaande laat zien dat de Belgische wetgever door deze aanpak (invoering van een nieuwe afdeling in het wetboek die alleen van toepassing is op de consumentenkoop) niet de kans heeft gegrepen om het algemene kooprecht geheel te overdenken en aan te passen – zoals het bijv. in Duitsland wel is gebeurd. Voor overeenkomsten die noch onder het Weens Koopverdrag[xxv] noch onder de richtlijn vallen, blijft de duale regeling van leverings- en vrijwaringsverplichting voor uitwinning en verborgen gebreken bestaan en ook voor de consumentenkoop is de verborgen-gebreken-regeling niet helemaal afgeschaft (zie art. 1649quater, lid 5). De daardoor ontstane vrij gecompliceerde regeling[xxvi] had redelijk eenvoudig voorkomen kunnen worden door de nieuwe regels dwingend te maken bij een consumentenkoop en aanvullend ingeval van de overige koopovereenkomsten.[xxvii]

c) Frankrijk

In Frankrijk is naar aanleiding van de richtlijn productenaansprakelijkheid van 25 juli 1985, geïmplementeerd door middel van een wet van 19 mei 1998, discussie ontstaan over een algehele hervorming van het Franse verbintenissenrecht. Deze hervorming is echter uitgesteld in afwachting van een Europese richtlijn met betrekking tot de consumentenkoop. Door de invoering van de richtlijn 1999/44 is de discussie daarom ook weer in alle hevigheid opgelaaid.[xxviii] Er bestaat een groot meningsverschil over de vraag of deze richtlijn zou moeten worden aangegrepen om het gehele Franse kooprecht te moderniseren of slechts zou moeten leiden tot aanpassing van de betreffende bepalingen in de Franse wet op de consumentenkoop (Code de la consommation).[xxix] Op 22 oktober 2000 is door het Franse ministerie van justitie een werkgroep ingesteld met de taak na te denken over de mogelijkheden van de implementatie van de richtlijn en desbetreffende voorstellen te doen.[xxx] Inmiddels is op 16 juni 2004, dus ruim twee jaar na de uiterste implementatiedatum van de richtlijn (1 januari 2002)[xxxi], een wetsvoorstel ter omzetting van de richtlijn aan de Senaat voorgelegd.[xxxii]

In het Franse recht werd tot nu toe onderscheid gemaakt tussen de aansprakelijkheid van de verkoper voor verborgen gebreken (vices cachés) en de aansprakelijkheid van de verkoper voor het geval dat het gekochte niet aan de overeenkomst beantwoordt (défaut de conformité). Het gevolg van de aansprakelijkheid voor verborgen gebreken[xxxiii] was dat de koper op grond van art. 1641 Cc twee vorderingen kon instellen, namelijk de action rédhibitoire (ontbinding) of de action estimatoire (prijsvermindering) waarbij de koper ten eerste moest aantonen dat het gebrek bestond, ten tweede dat het al bestond ten tijde van de koop en ten derde dat het gebrek verborgen was.[xxxiv] Bovendien moest de koper deze acties binnen een korte termijn (bref délai) instellen.

Indien de verkoper zijn verplichting tot contractsconforme levering (obligation de délivrance conforme) had geschonden, kon de koper o.a. op grond van art. 1604 Cc een nakomingsactie instellen of schadevergoeding vorderen. Daarbij lag de bewijslast met betrekking tot de conformiteit van het verkochte bij de verkoper en gold de algemene verjaringstermijn van 30 jaar.

Het bovenstaande maakt duidelijk dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen de twee aansprakelijkheidsregimes. In de rechtspraak is een eenduidige afbakening tussen deze twee regimes aangebracht waardoor de koper niet meer de mogelijkheid had om te kiezen tussen de verschillende acties. Indien het gekochte door een gebrek niet geschikt is voor het gebruik waarvoor het bedoeld is, stonden aan de koper alleen de rechtsmiddelen op grond van verborgen gebreken ter beschikking. Indien het gekochte niet overeenstemt met de beschrijving in de overeenkomst, moest de koper zijn vordering baseren op de schending van de verplichting tot contractsconforme levering.[xxxv] Een wettelijk recht op herstel van het gekochte had de koper in het Franse recht vóór het nu ingediende wetsvoorstel niet. Uit het bovenstaande valt af te leiden dat de uniformering van het begrip gebrek en de aanpassing daarvan aan de definitie van dit begrip in de richtlijn consumentenkoop (art. 2 lid 2) het grootste probleem zal vormen bij de implementatie van de richtlijn.

In het wetsvoorstel dat op dit moment bij de Senaat ligt, is ervoor gekozen om de richtlijn consumentenkoop in de Code de la consommation te implementeren[xxxvi] en als gevolg daarvan enkele bepalingen van de Code civil aan te passen. De definitie van het conformiteitsbegrip is te vinden in art. L. 211-5 van het wetsvoorstel. Daarin worden de conformiteitscriteria van art. 2 lid 2 van de richtlijn bijna letterlijk overgenomen. Het vermoeden dat het gebrek van het gekochte al bestond ten tijde van de levering als dit gebrek zich binnen een termijn van zes maanden vanaf de levering openbaart, is geheel volgens art. 5 lid 3 van de richtlijn opgenomen in art. L. 211-7. In de art. L. 211-9 e.v. is de hiërarchie van rechtsmiddelen in overeenstemming met art. 3 lid 2 van de richtlijn overgenomen. Hierdoor krijgt de consument-koper in Frankrijk voor het eerst een wettelijk recht op herstel van het gekochte. Daar staat echter tegenover dat de consument-koper op basis van het wetsvoorstel eerst aanspraak zou moeten maken op herstel of vervanging van het gekochte voordat hij ontbinding van de koop of prijsvermindering kan eisen (art. L. 211-10) terwijl hij nu in het Franse recht de vrije keuze heeft tussen de rechtsmiddelen action rédhibitoire en de action estimatoire, zelfs indien de verkoper herstel van het gekochte heeft aangeboden.[xxxvii] Opmerkelijk hierbij is dat de koper zich volgens art. L. 211-13 nog steeds kan beroepen op de art. 1641 tot 1649 van de Code civil waarin de aansprakelijkheid van de verkoper voor verborgen gebreken geregeld is, met dien verstande dat de in art. 1648 opgenomen bref délai door middel van het wetsvoorstel wordt veranderd in een termijn van twee jaar vanaf de ontdekking van het gebrek waarbinnen de koper zijn rechtsvordering op grond van een verborgen gebrek moet instellen. Deze verjaringstermijn is ontleend aan de richtlijn (art. 5 lid 1) en wordt conform het wetsvoorstel ook opgenomen in art. L. 211-12 van de Code de la consommation.

De opstellers van het wetsvoorstel hebben er niet voor gekozen om de in art. 5 lid 2 als optie genoemde meldingsplicht van de koper tegenover de verkoper op straffe van verval van zijn rechten in de nieuwe wettelijke regeling op te nemen.

De bovenstaande beschrijving van de in het Franse recht geïmplementeerde bepalingen van de richtlijn laat zien dat Frankrijk er niet voor heeft gekozen om de regeling van de verborgen gebreken geheel af te schaffen. Zowel kopers in de uitoefening van hun beroep of bedrijf als ook consument-kopers kunnen zich nog steeds op deze regeling beroepen waardoor er voor consumenten een stelsel van naast elkaar bestaande regels ontstaat dat mogelijk als vrij ingewikkeld zal worden ervaren.

III.3 Rechtsmiddelen voor verborgen gebreken na aanpassing van de wetgevingen onder invloed van de richtlijn consumentenkoop

Uit de bovenstaande paragraaf III.2 valt af te leiden dat de wettelijke regelingen van de consumentenkoop en daarmee ook van de rechtsmiddelen bij (verborgen) gebreken na implementatie van de richtlijn consumentenkoop in België, Duitsland, Frankrijk en Nederland enerzijds meer overeenkomsten zijn gaan vertonen maar anderzijds nog steeds op een aantal punten duidelijk verschillen.

Door de invoering van het begrip non-conformiteit speelt het begrip verborgen gebreken aan de ene kant geen rol meer. In Duitsland werd dit begrip als zodanig sowieso niet gebruikt[xxxviii] en in Nederland werd de verborgen-gebreken-regeling al met de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek in 1992 afgeschaft. Aan de andere kant blijft de regeling van de verborgen gebreken in België en Frankrijk bestaan. Maar het centrale begrip in de vier rechtssystemen is in beginsel, met name bij een consumentenkoop, de (non-) conformiteit die in Nederland en Duitsland zelfs het uitgangspunt voor alle koopovereenkomsten vormt.

De hiërarchie van de remedies van de (consument-) koper in het geval van non-conformiteit is naar aanleiding van de richtlijn in alle vier rechtsstelsels ingevoerd waarbij dit in Duitsland (§ 437 met uitwerking in de §§ 439-441 BGB) en in België (art. 1649quinquies BBW) bijna letterlijk is gebeurd, terwijl de volgorde van de rechtsmiddelen in Nederland en Frankrijk uit twee artikelen moet blijken (art. 7:21 en 7:22 BW resp. art. L. 211-9 en 211-10). In Duitsland geldt deze hiërarchie van rechtsmiddelen voor alle koopovereenkomsten terwijl dit in België, Frankrijk en Nederland niet het geval is. In België en Frankrijk blijven, zoals gezegd, de rechtsmiddelen volgens de regeling van de verborgen gebreken bestaan, terwijl de koper in Nederland bij een niet-consumentenkoop in beginsel de vrije keuze uit de rechtsmiddelen van art. 7:21 en uit de rechtsmiddelen van art. 6:265 en 6:270 BW (volledige en gedeeltelijke ontbinding) heeft. Bij een consumentenkoop is de keuze uit de rechts­middelen volgens de aangepaste Nederlandse wet weliswaar niet geheel vrij maar is het recht van de consument op ontbinding en prijsvermindering in beginsel niet aan voorwaarden gebonden, zoals dit bij art. 6:265 en 6:270 wel het geval is (verzuim van de verkoper en ingebrekestelling). Op deze manier ontstaat in Nederland een steeds ingewikkeldere verhouding tussen de kooptitel in boek 7 en de algemene bepalingen van boek 6.[xxxix]

Verder blijven de vier rechtsstelsels op het gebied van de termijnen voor het instellen van de vorderingen wegens niet-conformiteit ook na implementatie van de richtlijn consumentenkoop nog verschillen vertonen. In Duitsland verjaren dergelijke vorderingen in beginsel binnen twee jaar (§ 438 lid 1 sub 3 en lid 2 BGB) tenzij de verkoper te kwader trouw was (lid 3); in dat laatste geval geldt de algemene verjaringstermijn van drie jaar volgens § 195 BGB. In België bedraagt de termijn voor de aansprakelijkheid van de verkoper eveneens twee jaar maar hier kan deze termijn onder bepaalde omstandigheden worden opgeschort (art. 1649quater lid 1 BBW). De vordering van de consument verjaart in België één jaar na de ontdekking maar deze termijn mag niet voor het einde van de aansprakelijk­heids­termijn verstrijken (lid 3). De Franse consument-koper kan zijn vordering op grond van non-conformiteit binnen twee jaar vanaf de levering van het gekochte instellen (art. L. 211-12 Code de la consommation) waarbij tegelijkertijd de “korte termijn” van art. 1648 Cc wordt veranderd in een vaste termijn van twee jaar. In Nederland is ervoor gekozen om de facultatieve meldplicht van art. 5 lid 2 in te voeren (art. 7:23 lid 1). De termijn waarbinnen een consument vorderingen op grond van non-conformiteit kan instellen, begint in Nederland pas te lopen nadat de bedoelde kennisgeving aan de verkoper is gedaan en bedraagt dan twee jaar (art. 7:23 lid 2). In Duitsland, België en Frankrijk is ervoor gekozen om deze meldplicht niet in te voeren, maar in het Belgische wetboek is wel bepaald dat de partijen een dergelijke meldplicht overeen kunnen komen mits de termijn daarvoor niet korter is dan twee maanden na ontdekking van het gebrek (art. 1649quater lid 2 BBW).

Het vermoeden dat een zaak reeds bij aflevering niet aan de overeenkomst voldeed als dit gebrek aan overeenstemming zich binnen zes maanden na aflevering heeft gemanifesteerd (art. 5 lid 3 van de richtlijn), bestond in geen enkele van de vier wetgevingen[xl] en moest dus in alle vier nieuw worden ingevoerd (art. 7:18 lid 2 BW, § 476 BGB, art. L. 211-7 Code de la consommation en art. 1649quater lid 4 BBW). Deze regel geldt daarbij steeds alleen voor de consumentenkoop; ook voor Duitsland is dit uitdrukkelijk bepaald (§ 476 BGB). De omkering van de bewijslast heeft in de praktijk tot veel onduidelijkheden geleid. Dit was met name het geval op het gebied van de verkoop van dieren. Een goed voorbeeld[xli] is de verkoop van een paard aan een particulier waarbij de professionele verkoper ingeval van een gebrek zou moeten aantonen dat dit ten tijde van de aflevering nog niet heeft bestaan. Het probleem heeft met name betrekking op het feit dat dieren ziekten “onder de leden” kunnen hebben waarvan later niet met zekerheid is vast te stellen wanneer en door welke oorzaak (bij paarden bijv. door te intensief gebruik door de koper) deze zijn ontstaan. Dit betekent voor de beroepsmatige verkoper dus een duidelijke en misschien niet helemaal te rechtvaardigen verslechtering van zijn positie.[xlii] In dit verband zou dus de vraag aan de orde gesteld kunnen worden of voor levende have niet andere regels zouden moeten gelden.[xliii] Dit hadden de Romeinse juristen gezien hun speciale regels voor de koop van vee blijkbaar al onderkend.

III.4 Rechtsmiddelen voor verborgen gebreken in de Principles of European Sales Law

Een bespreking van de regeling van de verborgen gebreken en met name haar ontwikkeling in het hedendaagse recht zou vanzelfsprekend niet volledig zijn als de discussie over het ontwerp van een uniform Europees Burgerlijk Wetboek buiten beschouwing zou worden gelaten. Om die reden zal ik hieronder een overzicht geven van enkele van de belangrijkste werkzaamheden die in dit kader zijn verricht, en zal ik ingaan op de oplossingen die hierbij zijn gekozen voor de rechten van de koper in het geval dat hij een gebrekkig product heeft gekocht.


[i] Smits in: NJB 2000, p. 1830
[ii] Stb. 2003, 110; inwerkingtreding 1 mei 2003 (KB van 7 april 2003, Stb. 2003, 151)
[iii] Verdrag der Verenigde Naties inzake de internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken van 11 april 1980; in Nederland in werking getreden op 1 januari 1992
[iv] Bianca/Grundmann 2002, p. 17
[v] aangezien het slechts gaat om minimum-harmonisatie, zie art. 8 lid 2 richtlijn 1999/44/EG
[vi] dus voor koopovereenkomsten tussen een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf en een verkoper die dat wel doet (art. 7:5 BW)
[vii] Naast de hier besproken wijzigingen is naar aanleiding van de richtlijn nog een aantal andere aanpassingen uitgevoerd die echter buiten het bestek van deze scriptie vallen; voor een gedetailleerd overzicht zie Loos 2004.
[viii] De redenen die hiervoor worden gegeven, zijn de hoge werkdruk ten gevolge van de implementatie van andere Europese richtlijnen en de hevige kritiek op het eerste wetsvoorstel; zie Smits in: Smits 2003, p. 4
[ix] Abschlußbericht der Kommission zur Überarbeitung des Schuldrechts, 1992
[x] zie Hondius, NJB 2002, p. 1348
[xi] Gesetz zur Modernisierung des Schuldrechts d.d. 29 november 2001, BGBl. 2001 I S. 3138
[xii] Voor een meer uitgebreide beschrijving van de wijzigingen zie Schermaier 2003, p. 191 e.v., Grundmann/Bianca 2002, p. 90 e.v., en ERPL 2&3 2001, p. 239-258
[xiii] Grundmann in: ERPL 2&3 2001, p. 248-249
[xiv] Zimmermann 1990, p. 326 e.v.
[xv] Zimmermann 2001, p. 122
[xvi] Grundmann in: ERPL 2&3 2001, p. 254
[xvii] De twee andere zijn de bepaling dat de regeling (gedeeltelijk) van dwingend recht is en de bepaling betreffende garanties (art. 6 richtlijn).
[xviii] Grundmann in: ERPL 2&3 2001, p. 255
[xix] Loos 2004, p. 14
[xx] wet van 1 september 2004, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 21 september 2004, inwerkingtreding op 1 januari 2005
[xxi] Hierdoor worden voor het eerst bepalingen ter bescherming van consumenten in het Burgerlijk Wetboek opgenomen.
[xxii] Dit is een ander conformiteitsbegrip dan dat uit het oude Belgische Burgerlijk Wetboek omdat het leveren van een goed dat met de koopovereenkomst in overeenstemming is, volgens de richtlijn de vrijwaring voor verborgen gebreken impliceert hetgeen in het oude Belgische recht niet het geval was.
[xxiii]Stijns in: Smits 2003, p. 61
[xxiv] Stijns in: Smits 2003, p. 70
[xxv] in België in werking getreden op 1 november 1997
[xxvi] ook omdat er nu bijv. twee verschillende definities van het begrip consument zijn; zie Schermaier 2003, p. 189.
[xxvii] Stijns in: Smits 2003, p. 77
[xxviii] Rohlfing-Dijoux in: Grundmann 2000
[xxix] Tournafond in: Dalloz 2000, no. 10, en in: Dalloz 2002, no. 38; Viney in: Dalloz 2002, no. 42, Jourdain in: Dalloz 2003, no. 1
[xxx] Groupe de travail sur l‘intégration en droit français de la directive 1999/44 onder voorzitterschap van G. Viney
[xxxi] Dit is Frankrijk op een veroordeling door het Europese Hof van Justitie d.d. 1 juli 2004 komen te staan.
[xxxii] Projet de loi relatif à la garantie de la conformité du bien au contrat due par le vendeur au consommateur et à la responsabilité du fait des produits defectueux, no. 358
[xxxiii] waaronder niet de rechtsgebreken vallen; deze worden apart behandeld in art. 1626 Cc.
[xxxiv] Sefton-Green in: Schermaier 2003, p. 226
[xxxv] Sefton-Green in: Schermaier 2003, p. 227
[xxxvi] zie de toelichting voorafgaand aan het wetsvoorstel onder I.A: “Le choix a été fait de codifier le texte de transposition aux articles L. 211-1 et suivants du code de la consommation.”
[xxxvii] Rohlfing-Dijoux in: Grundmann 2000, p. 155; zie daarover ook Sefton-Green in: Schermaier 2003, p. 231
[xxxviii] wel het begrip “subjektiver Fehlerbegriff” waarmee het geval werd aangeduid dat de eigenschappen van het gekochte niet overeenstemmen met de in de koopovereenkomst overeengekomen eigenschappen; zie voor een uitgebreide uitleg Vollkommer in: Jauernig 1999, p. 455
[xxxix] Hijma in: Smits 2003, p. 38
[xl] In dit verband dient te worden gewezen op het feit dat in de Franse rechtspraak over het algemeen wordt aangenomen dat een beroepsmatige verkoper steeds te kwader trouw is met het gevolg dat wordt vermoed dat het door de koper bewezen gebrek reeds ten tijde van de aflevering van het gekochte bestond; zie Rohlfing-Dijoux in: Grundmann 2000, p. 157, met verwijzingen.
[xli] zie EK 27809 nr. 323a, p. 5
[xlii] ook ten opzichte van iemand die weliswaar regelmatig paarden verkoopt maar dit niet in het kader van zijn beroep of bedrijf doet; zie ook vraag E-1538/02 d.d. 3 juni 2002 aan de Commissie
[xliii] In Duitsland zijn naar aanleiding van de sterk door de richtlijn consumentenkoop beïnvloede hervorming van het verbintenissenrecht de bijzondere voorschriften voor de koop van vee (§ 481 e.v. BGB) zelfs geheel afgeschaft; zie Schermaier 2003, p. 192.

pag. 1 | pag. 2 | pag. 3