De regeling van de verborgen gebreken (3)

pag. 1 | pag. 2 | pag. 3

De discussie over de vraag of er een uniform Europees privaatrecht zou moeten komen en hoe dit dan vormgegeven zou moeten worden, speelt al sinds het begin van de jaren tachtig[i] en is met de versterking en uitbreiding van de Europese eenwording steeds actueler geworden. Een belangrijke ontwikkeling op dit gebied is de instelling van een Commission on European Contract Law op instigatie van professor Ole Lando (hierna ook Lando Commissie genoemd).[ii] Deze commissie, bestaande uit gerenommeerde academici uit verschillende EU-lidstaten, is in 1982 begonnen met het opstellen van de zgn. Principles of European Contract Law (PECL).[iii] Het hoofddoel van de Lando Commissie is het ontwerpen van de meest adequate regels voor overeenkomsten in Europa.[iv] Verder hoopt de Lando Commissie met deze Principles drie doelstellingen te kunnen bereiken.[v] De PECL moeten worden gezien als uitwerking van de gemeenschappe­lijke kern van het Europese overeenkomstenrecht.[vi] Zij zouden moeten dienen als grondslag voor de toekomstige unificatie van het overeenkomsten­recht in Europa.[vii] De PECL zijn echter niet alleen voor het toekomstige recht binnen Europa van belang. Een derde doelstelling van de Principles is het ter beschikking stellen van regels die door contractspartijen per heden als recht kunnen worden gebruikt doordat zij deze in hun overeenkomst opnemen of een rechtskeuze voor deze regels in hun overeenkomst maken.[viii]

Als inspiratiebronnen voor de opstellers van de PECL hebben gediend: de Amerikaanse Restatements of the Law, met name de Restatement (Second) of Contracts (gepubliceerd in 1981), de Amerikaanse Uniform Commercial Code en in het bijzonder de UNIDROIT Principles of International Commercial Contracts (gepubliceerd in 1994).[ix] De PECL bestaan uit uniforme basisregels[x] uitgewerkt in artikelen op het gebied van het algemene contracten­recht aangevuld met commentaar waarin de werking van deze artikelen wordt uitgelegd, met informatie over de herkomst van de regels en met een beschrijving van het actuele recht in de EU-lidstaten. In 1995 werd door de 1e (Sub-) Commissie het eerste deel van de PECL gepubliceerd. In 2000 volgde een door de 2e Commissie samengestelde geconsolideerde versie van deel I en deel II van de PECL. Deze geconsolideerde versie omvat o.a. bepalingen met betrekking tot de remedies for non-performance. Het werk van de 3e Commissie werd gepubliceerd in 2002.

In 1999 is de Study Group on a European Civil Code met haar werkzaamheden begonnen. Ongeveer twee derde van de leden van de Commission on European Contract Law zijn ook lid van deze Study Group onder het voorzitterschap van Prof. Christian von Bar.[xi] Deze groep bouwt voort op het werk dat door de Lando Commissie is verricht, en breidt dit uit naar andere privaatrechtelijke gebieden waarbij met name bepaalde soorten van overeenkomsten, zoals bijv. koopovereenkomsten en diensten, en verbintenissen op grond van de wet, zoals het onrechtmatige daadsrecht, aan de orde komen. Er bestaan permanente werkgroepen met leden uit verschillende landen die worden bijgestaan door experts die naam hebben gemaakt op het betreffende rechtsgebied.[xii] Het Sales Sub-team van het Working Team on Sales, Services and Long-term Contracts, één van de permanente werkgroepen, heeft kort geleden een voorstel voor de Principles of European Sales Law op het internet gepubliceerd.[xiii] Deze Principles of European Sales Law (hierna ook PESL genoemd) omvatten – naar het voorbeeld van de PECL – uniforme basisregels voor koopovereenkomsten. In het kader van deze scriptie zullen alleen die bepalingen van de PESL worden besproken die samenhangen met de rechtsmiddelen van de koper in het geval dat hij een gebrekkig product koopt.

In de Principles of European Sales Law is net als in de richtlijn consumentenkoop gekozen voor het begrip (non-) conformiteit. De definitie van dit begrip is te vinden in hoofdstuk 2 (Obligations of the Seller) afdeling 2 (Conformity of the Goods) van de PESL onder art. 2:201. Volgens deze bepaling is er sprake van conformiteit indien de verkoper goederen levert die wat betreft de kwaliteit, kwantiteit en beschrijving aan de overeenkomst beantwoorden (sub a), indien deze zijn verpakt volgens de voorschriften van de overeenkomst (sub b) en indien alle toebehoren, installatie- en overige instructies zijn bijgevoegd zoals in de overeenkomst genoemd (sub c). In art. 2:202 worden specifieke gevallen aangegeven waarin goederen in overeenstemming zijn met de overeenkomst, bijv. als ze geschikt zijn voor een door de koper aangegeven bijzonder gebruik (lid a), als ze in overeenstemming zijn met een aan de koper ter beschikking gesteld monster (lid b) etc. Opmerkelijk is dat deze gevallen grote overeenstemming vertonen met de in art. 2 lid 2 van de richtlijn consumentenkoop opgesomde gevallen. Net als de richtlijn en overigens ook de PECL[xiv] bevatten de PESL geen speciale regels voor verborgen gebreken.

De rechtsmiddelen van de koper in het geval van een gebrek aan overeenstemming zijn te vinden in afdeling 2 van hoofdstuk 4 getiteld “Remedies of the Buyer for Lack of Conformity”. De verschillende remedies worden opgesomd in art. 4:201 en vervolgens uitgewerkt. Volgens art. 4:201 en 4:202 kan de koper in eerste instantie vragen om herstel, vervanging of een ander middel ter ongedaanmaking van het gebrek (lid 1) tenzij dit onrechtmatig of onmogelijk is (sub a) of tenzij dit voor de verkoper onredelijk veel moeite of kosten met zich mee zou brengen (sub b). Lid 3 van dit artikel omvat een specifieke bepaling voor de consumentenkoop, namelijk dat de verkoper het gebrek aan overeenstemming ongedaan moet maken zonder dat de consument-koper daarvan ernstige overlast ondervindt. Ook hier zien we weer een duidelijke overeenstemming met de betreffende bepalingen in de richtlijn consumentenkoop (art. 3). De keuze voor één van de genoemde rechtsmiddelen is overigens in beginsel aan de verkoper tenzij het gaat om een consumentenkoop waar de consument-koper onder de in art. 4:202 lid 1 voorwaarden mag kiezen tussen herstel, vervanging of een ander middel. Dit blijkt uit art. 4:204 PESL.

De overige rechtsmiddelen van de koper in het geval van non-conformiteit zijn te vinden in art. 4:205 PESL. Uit dit artikel (met name ook uit de titel “Resort to other remedies”) en uit lid 2 van art. 4:201 valt af te leiden dat het hier gaat om rechtsmiddelen die pas ingesteld kunnen worden na de rechtsmiddelen conform art. 4:202 en alleen indien de verkoper het gebrek niet binnen een redelijke termijn en – voor de consument-koper – niet zonder ernstige overlast ongedaan heeft gemaakt. Volgens lid 2 van art. 4:205 is de koper bevoegd om de overeenkomst te ontbinden als het gaat om een “fundamental non-performance” conform art. 4:102.[xv] In het geval van een consumentenkoop mag de consument-koper het contract ontbinden tenzij het gebrek aan overeenstemming van geringe betekenis is. De overeenkomst met art. 3 lid 6 van de richtlijn consumentenkoop is hier evident. Tenslotte biedt art. 4:205 lid 4 de koper de mogelijkheid om om een prijsvermindering te verzoeken en kan de koper op grond van lid 5 schadevergoeding verlangen. In beide leden wordt daarvoor overigens verwezen naar de betreffende bepalingen van de PECL. Ook in de PESL wordt dus net als in de richtlijn consumentenkoop en in tegenstelling tot de PECL[xvi] een hiërarchie van rechtsmiddelen aangebracht. In de PESL is ervoor gekozen om de koper de verplichting op te leggen het gebrek aan overeenstemming binnen een redelijke termijn aan de verkoper te melden op straffe van verlies van zijn rechten (art. 2:302 lid 1). Deze mogelijkheid wordt in de richtlijn consumentenkoop slechts als optie genoemd (art. 5 lid 2). De rechtsmiddelen van de koper verjaren net als in de richtlijn consumentenkoop (art. 5 lid 1) door verloop van twee jaar vanaf de aflevering van de goederen aan de koper (art. 2:302 lid 2).

Tenslotte dient nog te worden gewezen op het feit dat ook in de PESL voor het geval van een consumentenkoop voorzien is in een omkering van de bewijslast met betrekking tot het bestaan van een gebrek aan overeenstemming indien dit gebrek zich manifesteert binnen zes maanden na levering van de goederen (art. 2:207 lid 2).

Het bovenstaande laat zien dat de hier besproken bepalingen van de PESL grote gelijkenis vertonen met de richtlijn consumentenkoop. Gezien het in het begin van deze paragraaf genoemde doel van de Commission on European Contract Law en de Study Group on a European Civil Code, het ontwerpen van de meest adequate regels voor overeenkomsten in Europa, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat de richtlijn consumentenkoop volgens de leden van deze twee groepen als geslaagde richtlijn dient te worden beschouwd.

IV De verborgen-gebreken-regeling naar Romeins recht en naar Nederlands recht, een vergelijking

In dit hoofdstuk zal de regeling van de verborgen gebreken resp. de regeling van de non-conformiteit van voor en na de implementatie van de richtlijn 1999/44/EG in Nederland worden vergeleken met de regeling van de verborgen gebreken volgens Romeins recht waarbij de overeenkomsten en verschillen zullen worden geanalyseerd.

IV.1 Vergelijking van de regelingen

Om een duidelijke vergelijking van de regelingen te kunnen maken, zal in deze paragraaf een concrete casus eerst naar Romeins recht, dan naar het recht van het oude Burgerlijk Wetboek, vervolgens naar het recht van het Burgerlijk Wetboek van 1992 en ten slotte naar het geldende Nederlandse recht na implementatie van de richtlijn consumentenkoop worden besproken. In deze casus zal het gaan om de koop van een bepaald paard. Na de overdracht aan de koper zal blijken dat het paard vanwege een pas dan aan het licht gekomen gebrek (zware kreupelheid[xvii]) niet geschikt is voor het gebruik waarvoor de koper het had gekocht.

IV.1.1 Romeins recht versus Nederlands recht voor de implementatie van de richtlijn consumentenkoop

Voor de uitwerking van de boven geschetste casus naar klassiek Romeins recht wordt ervan uitgegaan dat een koper op de markt een bepaald paard heeft gekocht van één van de marktkooplieden zonder dat deze enige mededelingen heeft gedaan met betrekking tot de gezondheidstoestand en overige geaardheid van het paard. Nadat de koper de prijs heeft betaald en het paard mee naar huis heeft genomen, blijkt dat het paard kreupel is en daarom niet voor het werk ingezet kan worden waarvoor de koper het heeft bedoeld. Ten eerste is hier van belang waar de koper het paard heeft gekocht. In principe geldt bij een koop naar het klassieke Romeinse recht dat de koper zelf moet opletten dat hij geen gebrekkige zaak koopt. De verkoper kan alleen worden aangesproken als hij in strijd met de goede trouw hem bekende gebreken heeft verzwegen of als hij toezeggingen heeft gedaan met betrekking tot de afwezigheid van bepaalde gebreken of de aanwezigheid van bepaalde eigenschappen van het paard welke later niet op de waarheid blijken te berusten.[xviii] In dit specifieke geval waarin het paard is gekocht op een van de markten in Rome, heeft de koper echter meer mogelijkheden. De verkoper had op grond van het edict van de curulische aedielen[xix] het gebrek van het paard moeten melden of een garantie moeten geven dat het paard geen van de volgens het voorschrift van het edict op te geven ziekten of gebreken had. In deze casus is geen van beide gebeurd zodat de verkoper aansprakelijk is, ook al heeft hij het gebrek niet bewust verzwegen en heeft hij geen onjuiste toezeggingen gedaan. Hij kan dan door de koper binnen zes maanden na ontdekking van het gebrek met de actio redhibitoria worden aangesproken met als gevolg dat hij tegen teruggave van het paard de koopprijs moet terugbetalen. Als de koper het paard ondanks de kreupelheid wil houden, kan hij met de actio quanti minoris binnen twaalf maanden een vermindering van de koopprijs eisen.

Zoals uiteengezet in hoofdstuk II waren de beide bovengenoemde acties ook in het Nederlandse wetboek van 1838 te vinden, en wel in de bijzondere regeling van de verborgen gebreken van de art. 1540-1548. Deze regeling van art. 1540 e.v. is van toepassing omdat het gaat om de koop van een specifiek paard.[xx] Als de in paragraaf IV.1 geschetste casus wordt uitgewerkt volgens het recht van het oud-BW, blijkt dat de oplettende koper[xxi] ook hier, net als in de Romeinse casus, na ontdekking van een verborgen gebrek de keuze heeft uit de actio redhibitoria en de actio quanti minoris met dezelfde gevolgen als in het Romeinse recht. Ook de verkoper te goeder trouw is net als in het Romeinse recht aansprakelijk (art. 1542), echter alleen voor vergoeding/vermindering van de koopprijs en voor de op koop en levering gevallen kosten maar niet voor eventuele schade (art. 1545). Een soortgelijke beperking gold ook reeds in het Romeinse recht, echter pas vanaf de eerste helft van de tweede eeuw n. Chr.[xxii] Voor de instelling van deze twee acties gelden volgens het BW van 1838 korte termijnen (art. 1547), ter beoordeling door de rechter. In het onderhavige geval van de koop van een paard moet de koper de rechtsvordering instellen binnen zes weken vanaf de dag dat hij het gebrek van het paard heeft ontdekt of had kunnen ontdekken.[xxiii] Voor de koper bestaat hier niet de mogelijkheid om deze korte termijnen te omzeilen door zich op wanprestatie te beroepen waarvoor een veel langere verjaringstermijn geldt. Deze weg is hem door de Hoge Raad afgesneden[xxiv] waardoor de regeling van de verborgen gebreken in het oude BW vanaf dat moment eerder de verkoper dan de koper dient.[xxv] In het klassieke Romeinse recht kon de koper naast de acties uit het aedielenedict ook nog de actio empti instellen tegen de verkoper te kwader trouw en de verkoper die onjuiste toezeggingen heeft gedaan.[xxvi] Door de latere uitbreiding van de toepassingsmogelijkheden van de actio empti had de koper in het Romeinse recht[xxvii] dus de beschikking over een groter aantal rechtsmiddelen. De koper in de naar het recht van het Burgerlijk Wetboek van 1838 behandelde casus kan alleen de actio redhibitoria of de actio quanti minoris instellen waardoor hij zeer beperkt is in zijn mogelijkheden. Alleen als de verkoper eventueel een uitdrukkelijke of stilzwijgende garantie heeft afgegeven met betrekking tot de eigenschappen van het paard, kan de koper onder bepaalde omstandigheden – zoals we in hoofdstuk II hebben gezien – een beroep doen op de voor hem gunstigere regeling van de wanprestatie.

Met de invoering van de nieuwe kooptitel in 1992 beschikt de koper, als hij een paard heeft gekocht en nadien ontdekt dat het door hem gekochte paard door een gebrek (zware kreupelheid) niet geschikt is voor het gebruik dat hij ervan wilde maken, niet meer over de actio redhibitoria of de actio quanti minoris[xxviii]. Een verborgen gebrek valt nu onder het begrip non-conformiteit van art. 7:17 van het Burgerlijk Wetboek van 1992 (hierna ook NBW) waarbij het niet meer uitmaakt of het om een genus- of om een specieszaak gaat[xxix], dit in tegenstelling tot het Romeinse recht waar een koopovereenkomst – zoals we in hoofdstuk I hebben gezien – alleen betrekking kon hebben op specieszaken. Daarmee konden ook de uit de koop voortvloeiende acties uitsluitend met betrekking tot (gebreken van) specieszaken worden ingesteld.

Onder het nieuwe kooprecht van 1992 rust op de verkoper de verplichting om een zaak af te leveren die aan de overeenkomst beantwoordt (art. 7:17 lid 1).[xxx] Een dergelijke algemene verplichting tot het leveren van een niet-gebrekkige zaak bestond voor de verkoper in het klassieke Romeinse recht niet.[xxxi] Als blijkt dat het gekochte paard kreupel is, bezit het niet de eigenschappen die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten aangezien een kreupel paard niet voor normaal gebruik geschikt is (art. 7:17 lid 2 NBW). Daarmee beantwoordt het paard dus niet aan de overeenkomst en heeft de koper de mogelijkheden die hem worden geboden in art. 7:21 lid 1 NBW.

Ingeval van een levering van een niet-conforme zaak kan de koper het volgende eisen: aflevering van het ontbrekende (lid 1 sub a), herstel (lid 1 sub b) of vervanging (lid 1 sub c). De in lid 1 sub a genoemde vordering zal in de onderhavige casus afvallen omdat het eisen van “aflevering van het ontbrekende” bij een kreupel paard niet aan de orde is. In onze casus zal de koper zich kunnen beroepen op herstel van de afgeleverde zaak (lid 1 sub b) hetgeen echter zou betekenen dat het paard in beginsel terug zou moeten naar de verkoper[xxxii] die het bijvoorbeeld door een veearts zou moeten laten behandelen waarbij natuurlijk de vraag blijft of deze behandeling succes zal hebben en of het paard na succesvolle behandeling nog wel dezelfde eigenschappen zal hebben als daarvoor.[xxxiii] Een andere mogelijkheid voor de koper is om vervanging van het afgeleverde paard te eisen (lid 1 sub c) tenzij de afwijking zo gering is dat een vervanging niet gerechtvaardigd is. De in deze casus besproken zware kreupelheid zal niet een te geringe afwijking zijn om een vervanging te rechtvaardigen. De vraag is echter ook hier weer of de koper wel belang heeft bij een vervanging. Weliswaar zou men kunnen zeggen dat een paard feitelijk vervangbaar is door een ander paard maar het ene paard is toch het andere niet waardoor ze niet zomaar uitwisselbaar zijn. De vraag is dus of vervanging in het geval van de koop van levende have of – ruimer – bij specieszaken überhaupt mogelijk is. Beide nakomingsacties van de koper zijn overigens beperkt.[xxxiv] Het moet voor de verkoper mogelijk zijn en in redelijkheid van hem kunnen worden gevergd dat hij de vordering tot herstel nakomt; de vordering tot vervanging is niet mogelijk bij schending van de zorgplicht van de koper ten aanzien van de non-conforme zaak[xxxv] (bijv. als de koper het paard omdat hij het niet kan gebruiken, zou verwaarlozen) en bij een te geringe afwijking, zoals we boven al hebben gezien. Als een consument-koper herstel vordert, heeft de verkoper bovendien het recht om in plaats van herstel aan de koper ofwel vervanging van het paard ofwel ontbinding van de koopovereenkomst aan te bieden; als de consument-koper een vervanging vordert, kan de verkoper kiezen voor ontbinding van de koopovereenkomst (art. 7:21 lid 2). Deze ontsnappings­mogelijkheid voor de verkoper bestaat echter niet als het gaat om een niet-vervangbare zaak waarvan in deze casus zal moeten worden uitgegaan.[xxxvi]

Naast de in art. 7:21 NBW geboden mogelijkheden heeft de consument-koper op grond van art. 7:24 NBW het recht om schadevergoeding van de verkoper te vorderen indien hem een paard is geleverd dat niet aan zijn verwachtingen op grond van de overeenkomst voldoet. In lid 1 van dit artikel wordt gewezen op de regeling zoals opgenomen in de afdelingen 9 en 10 van titel 1 van boek 6. Dit brengt mee dat de verkoper tot schade­vergoeding verplicht is tenzij hij bewijst dat de schade hem niet is toe te rekenen (art. 6:74 en 6:75).

Zoals uit het bovenstaande blijkt, zijn de Romeins-rechtelijke acties actio redhibitoria en actio quanti minoris in de nieuwe kooptitel van het NBW niet meer terug te vinden. Wel kan de koper naast de vordering tot herstel of vervanging bijvoorbeeld een beroep doen op (gedeeltelijke) ontbinding van de koopovereenkomst op grond van art. 6:265 resp. 6:270 BW waarbij echter aan de daar genoemde voorwaarden moet zijn voldaan.[xxxvii] Deze mogelijkheid valt af te leiden uit art. 7:22 NBW waarin is bepaald dat de bijzondere nakomingsacties van titel 7.1 NBW aan de koper toekomen naast alle andere rechten of vorderingen.[xxxviii]

Voor de koper is verder van belang dat hij de vereisten voor het instellen van de bovengenoemde vorderingen uit de kooptitel in acht neemt. Deze zijn te vinden in art. 7:23 NBW. Hij moet de verkoper binnen bekwame tijd[xxxix] nadat hij het gebrek heeft ontdekt of had kunnen ontdekken, daarvan op de hoogte stellen. Met dit laatste legt dit artikel als het ware een onderzoeksplicht op aan de koper. Aan deze ‘Obliegenheit’ moet ook de koper in de hier besproken casus voldoen als we ervan uitgaan dat de verkoper geen mededelingen heeft gedaan omtrent bepaalde eigenschappen van het paard die later blijken te ontbreken, en dat de verkoper zelf te goeder trouw was.[xl] Bovendien moet de koper ervoor zorgen dat hij de actie op grond van non-conformiteit instelt binnen twee jaar na de kennisgeving van het gebrek aan de verkoper. Voor het instellen van de Romeins-rechtelijke acties ingeval van een verborgen gebrek golden daarentegen geheel andere termijnen. De actio redhibitoria kon – zoals we eerder hebben gezien – binnen zes maanden worden ingesteld en de actio quanti minoris binnen een jaar. Beide termijnen begonnen echter pas te lopen nadat het gebrek zich had geopenbaard en de koper het dus kon ontdekken.[xli]

IV.1.2 Romeins recht versus Nederlands recht na de implementatie van de richtlijn consumentenkoop

Zoals in hoofdstuk III al uitvoerig is besproken, is titel 7.1 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek van 1992 bij wet van 6 maart 2003 aangepast om aan de implementatie­verplichting voor de richtlijn 1999/44/EG te voldoen.

Bij de bespreking van de boven geschetste casus van de koop van een paard volgens het Nederlandse recht na deze aanpassing wordt ervan uitgegaan dat het bij de koper gaat om een particulier en bij de verkoper om een beroepsmatige handelaar in paarden omdat alleen voor deze categorie van koopovereenkomsten wijzigingen zijn ingevoerd die relevant zijn voor het onderwerp van deze scriptie. In het geval dat de koper een paard koopt dat niet aan de overeenkomst beantwoordt omdat het kreupel blijkt te zijn, heeft hij nu naast de acties van art. 7:21 nog twee andere mogelijkheden die in art. 7:22 zijn opgenomen. Dit zijn de actie tot ontbinding van de koopovereenkomst (de bekende actio redhibitoria) en de actie tot prijsvermindering (de bekende actio quanti minoris). In tegenstelling tot de Romeinse acties kunnen de acties uit art. 7:22 echter alleen worden ingesteld door consumenten (art. 7:22 lid 1) en pas nadat de acties tot herstel of vervanging om de in lid 2 van art. 7:22 genoemde redenen niet tot succes hebben geleid (lid 2). Wanneer dit laatste het geval is, wordt precies aangegeven in de naar aanleiding van de richtlijn toegevoegde leden 4 tot en met 6 van art. 7:21. Bij de koop van een paard is het de vraag of een herstel of vervanging tot het gewenste resultaat leiden, namelijk de koper in het bezit te stellen van het paard dat hij volgens de koopovereenkomst heeft gekocht. Deze vraag dient uiteraard ontkennend te worden beantwoord; in dat geval kan de consument-koper net als de Romeinse koper dus vervolgens terugvallen op de ontbinding of de prijsvermindering net als de Romeinse koper. Een groot voordeel voor de consument-koper onder het Nederlandse recht na implementatie van de richtlijn is dat volgens het toegevoegde lid 2 van art. 7:18 wordt vermoed dat het paard het gebrek al bij aflevering had als dit zich binnen zes maanden na aflevering openbaart; pas na die termijn van zes maanden moet de koper het gebrek zelf aantonen. In het Romeinse recht bestond een dergelijke omkering van de bewijslast niet.

De boven beschreven acties van de koper moeten volgens art. 7:23 lid 2 worden ingesteld binnen een termijn van twee jaar waarbij ervoor is gekozen om vast te houden aan de verplichting tot kennisgeving van het gebrek aan de verkoper binnen bekwame tijd die al voor de implementatie van de richtlijn consumentenkoop bestond. Voor een consument-koper is hier echter onder invloed van de richtlijn aan toegevoegd dat een kennisgeving binnen twee maanden na de ontdekking van het gebrek op tijd is gedaan. In onze casus betekent dit dat de koper van het paard zodra hij de kreupelheid heeft ontdekt, twee maanden de tijd heeft om de verkoper hierover in te lichten. Na deze kennisgeving begint de verjaringstermijn van twee jaar voor de in te stellen acties te lopen ongeacht welke actie hij kiest. Zoals in paragraaf IV.1.1 al aangegeven, golden er voor de Romeinse acties andere termijnen.

IV.2 Analyse van de overeenkomsten en verschillen

Uit de bovenstaande paragraaf valt af te leiden dat de uit het Romeinse recht bekende actio redhibitoria en actio quanti minoris nu weer in het Nederlandse recht zijn terug te vinden, nadat ze met de invoering van de nieuwe kooptitel in 1992 waren afgeschaft. De eerst­genoemde actie staat nu in art. 7:22 lid 1 sub a en de tweede staat in art. 7:22 lid 1 sub b. De gevolgen van deze acties zijn nog steeds dezelfde als die van de Romeinse acties. Lid 1 sub a is gericht op de ontbinding van de koopovereenkomst, terwijl lid 1 sub b de koper de mogelijkheid biedt om een prijsvermin­dering te eisen met instandhouding van de koopovereenkomst. Zowel in het Romeinse recht als onder het huidige recht kan niet alleen de verkoper te kwader trouw maar ook de verkoper te goeder trouw met deze acties worden aangesproken. In het Romeinse recht verschilt de omvang van de aansprakelijkheid al naar gelang of de verkoper te goeder of te kwader trouw was. De verkoper te kwader trouw moest ook alle schade vergoeden die de koper op grond van de gebrekkige zaak had geleden (zie hoofdstuk I). Voor het eventuele recht van de consument-koper op schadevergoeding onder het huidige recht wordt in art. 7:24 op de desbetreffende regeling van titel 1 van boek 6 BW verwezen waarbij van belang is of de tekortkoming aan de verkoper kan worden toegerekend.[xlii]

Een groot verschil met de Romeinse acties dat meteen opvalt, is dat de twee nakomingsacties in het huidige recht subsidiaire vorderingen zijn die, zoals we hebben gezien, pas kunnen worden ingesteld nadat de acties tot herstel of vervanging van de gekochte zaak niet tot succes hebben geleid. Wat dit betreft was de positie van de Romeinse koper dus gunstiger dan van de koper nu omdat hij als hij dit wenste, meteen van de gebrekkige zaak af kon. Een tweede verschil is dat de toepassing van de beide acties in het klassieke Romeinse recht beperkt was tot de koop van bepaalde specieszaken (slaven en vee) en tot bepaalde gebreken (morbi et vitia en enkele andere tekortkomingen[xliii]). Onder het recht van het oude BW van 1838 gold sinds 1970 nog steeds de beperking tot specieszaken, terwijl beide acties onder het huidige recht zowel kunnen worden toegepast bij de specieskoop als bij de genuskoop en tevens bij ieder niet beantwoorden van de afgeleverde zaak aan de overeenkomst (non-conformiteit). Hier kan de verkoper in het huidige recht dus in meer gevallen door de koper worden aangesproken dan in het Romeinse recht.

Onder het huidige recht geldt daarentegen een andere beperking die we niet in het Romeinse recht tegenkomen. De twee bijzondere nakomings­acties kunnen tegenwoordig namelijk alleen worden ingesteld door een consument-koper (zie art. 7:22 aanhef). Een algehele of gedeeltelijke ontbinding van de koopovereen­komst (art. 6:265 BW resp. art. 6:270 BW) staat weliswaar ook voor de professionele koper open maar dit is alleen mogelijk onder de in boek 6 genoemde voorwaarden. Onder het BW van 1992 voorafgaand aan de implementatie van de richtlijn consumenten­koop was ook de consument-koper op deze artikelen uit boek 6 aangewezen als hij de koopovereenkomst wilde ontbinden.

De toepassing door de consument-koper van de actie tot ontbinding van de overeenkomst is in het huidige recht verder daardoor beperkt dat deze niet mogelijk is als de non-conformiteit te gering is om een ontbinding te rechtvaardigen. De Romeinse juristen hebben dit soort gevallen opgelost door elk concreet geval apart te behandelen waardoor ze de belangen van de koper en de verkoper op een zo rechtvaardig mogelijke manier konden afwegen.[xliv]

Ook de verjaringstermijnen van de acties verschillen. Deze termijnen waren onder het Romeinse recht zes maanden voor de actio redhibitoria en twaalf maanden voor de actio quanti minoris nadat het gebrek zich had geopenbaard. Onder het oude BW golden zeer korte verjaringstermijnen, met name bij de koop van dieren, terwijl deze onder het huidige recht weer zijn uitgebreid. Alle rechtsvorderingen waar de koper een beroep op kan doen indien de gekochte zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, dus ook de vordering tot ontbinding van de koopovereenkomst en tot prijsvermindering, moeten op grond van het huidige art. 7:23 BW worden ingesteld binnen twee jaar nadat de koper de verkoper op de hoogte heeft gesteld van het gebrek. Hier heeft dus een aanzienlijke verbetering van de positie van de koper plaatsgevonden.

Een laatste verschil tussen het Romeinse en het huidige Nederlandse recht dat zeker genoemd moet worden, is de omkering van de bewijslast ten gunste van de consument-koper volgens art. 7:18 lid 2 die in het Romeinse recht niet bekend was. Deze heeft voor de consument-koper het grote voordeel dat hij het gebrek aan overeenstemming met de overeenkomst niet meer zelf hoeft aan te tonen als het zich binnen zes maanden na de aflevering van de gebrekkige zaak openbaart. Hier is de positie van de consument-koper dus duidelijk versterkt met alle nadelige gevolgen voor de verkoper waar aan het eind van hoofdstuk III.3 al op is gewezen.

Conclusie

In deze scriptie heb ik een beschrijving willen geven van de regeling van de verborgen gebreken en haar ontwikkeling en heb ik beoogd aan te tonen dat een regeling die door de Romeinse juristen ruim 2000 jaar geleden is ontwikkeld, op dit moment nog steeds actueel is.

In landen zoals België en Frankrijk is de regeling van de verborgen gebreken nooit uit het wetboek verdwenen en houdt men ook na implementatie van de richtlijn consumentenkoop aan deze regels vast, met name voor gevallen waarin het niet om een consumentenkoop gaat. In Nederland en Duitsland waar men heel nauw bij de richtlijn aansluit, is het begrip (verborgen) gebrek, zoals het voor invoering van de richtlijn bestond, uit de kooptitel van het wetboek verdwenen om volledig plaats te maken voor het conformiteitsbegrip. Daarentegen zijn de oude Romeinse rechtsmiddelen voor verborgen gebreken, de actio redhibitoria en de actio quanti minoris, heringevoerd (Nederland) resp. behouden gebleven (Duitsland).

De rechtsmiddelen die de consument-koper ter beschikking staan indien hij een zaak heeft gekocht die niet aan de overeenkomst beantwoordt, zijn onder invloed van de richtlijn consumentenkoop in de hier besproken landen gelijkgetrokken. Naast de bovengenoemde rechtsmiddelen kan de (consument-) koper nu ook om herstel of vervanging van de gekochte zaak verzoeken. Daarbij is opmerkelijk dat er een hiërarchie in de rechtsmiddelen is aangebracht die in het Romeinse recht niet bestond, waardoor de consument-koper nu gedwongen wordt om eerst om herstel of vervanging van de gebrekkige zaak te verzoeken voordat hij zich kan beroepen op ontbinding van de koop of prijsvermindering. Een dergelijke hiërarchie kan een goede oplossing zijn voor naar soort bepaalde zaken maar levert mogelijkerwijs voor de koper problemen op bij de koop van bepaalde specieszaken (zoals dieren).

Een belangrijk nieuw aspect in de huidige regeling van de rechtsmiddelen in geval van non-conformiteit is de invoering van het vermoeden dat het gebrek reeds bestond ten tijde van de aflevering als het zich binnen zes maanden na de aflevering van het gekochte openbaart. Dit is een duidelijke versterking van de positie van de consument-koper die in alle hier onderzochte wetgevingen is ingevoerd. Ook op dit punt ontstaan echter problemen in het geval van de koop van dieren, zij het deze keer aan de kant van de verkoper.

In alle naar aanleiding van de richtlijn consumentenkoop aangepaste rechtsstelsels die hier zijn besproken, worden dieren op dezelfde manier behandeld als wasmachines, auto‘s enz. wat soms voor de koper, soms voor de verkoper tot ongewenste situaties leidt. En dit terwijl men uit de regeling van de verborgen gebreken van het antieke Romeinse recht had kunnen afleiden dat de Romeinse juristen specifieke regels voor de koop van dieren blijkbaar noodzakelijk achtten.

Een groot voordeel dat de richtlijn consumentenkoop voor de consument-koper heeft gebracht, is dat de aansprakelijkheidstermijn voor non-conformiteit nu in alle besproken landen min of meer overeenkomt en in vergelijking met de betreffende termijnen van de Romeinse acties is verlengd naar minstens twee jaar.
Bibliografie

C. von Bar & O. Lando, ‘Communication on European Contract Law: Joint Response of the Commission on European Contract Law and the Study Group on a European Civil Code’, European Review of Private Law 2002-2, p. 183-248.

M. Bianca & S. Grundmann (eds.), EU Sales Directive – Commentary, Antwerp-Oxford-New York: Intersentia, 2002.

R. Feenstra, Romeinsrechtelijke grondslagen van het Nederlandse privaatrecht, Inleidende hoofdstukken, Leiden: Brill, 1994.

S. Grundmann, ‘European sales law – reform and adoption of international models in German sales law’, European Review of Private Law 2001-2/3, p. 239-258.

S. Grundmann & M. Bianca (Hrsg.), EU-Kaufrechts-Richtlinie – Kommentar, Köln: O. Schmidt, 2002.


[i] Mattei in: Global Jurist Frontiers 2002, p. 3
[ii] Een uitgebreide beschrijving van de werkzaamheden en doelstellingen van deze Commissie is te vinden in Hesselink & De Vries 2001.
[iii] Von Bar & Lando in: ERPL 2002, p. 190
[iv] Von Bar & Lando in: ERPL 2002, p. 190
[v] Hesselink in: Hesselink & De Vries 2001, p. 12, met verwijzingen
[vi] PECL, Introduction, p. xxii
[vii] PECL, Introduction, p. xxiii
[viii] art. 1:101 PECL
[ix] Hesselink in: Hesselink & De Vries 2001, p. 12 e.v.
[x] vandaar dat gekozen is voor de benaming Principles oftewel beginselen
[xi] Von Bar & Lando in: ERPL 2002, p. 189
[xii] Von Bar & Lando, t.a.p., p. 191 e.v.
[xiii] zie www.sgecc.net onder het kopje “texts”
[xiv] Hesselink in: Hesselink & De Vries 2001, p. 79
[xv] Voor een bespreking van dit begrip zie Hesselink in: Hesselink & De Vries 2001, p. 65 en 78.
[xvi] Hesselink in: Hesselink & De Vries 2001, p. 64 e.v.
[xvii] Een kreupelheid kan pas na aflevering zichtbaar worden terwijl de oorzaak ervan (bijv. artrose, rugproblemen) al voor de koop bestond.
[xviii] zie hoofdstuk I
[xix] D 21,1,38 pr./5
[xx] Als het om een genuskoop was gegaan, was de regeling niet van toepassing geweest; zie HR 3 april 1970, NJ 1970, 252.
[xxi] Asser/Hijma 5-I 2001, p. 329
[xxii] Verhoeven, AA 1990, p. 499
[xxiii] Verhoeven, t.a.p., p. 501, en Asser/Hijma 5-I 2001, p. 331
[xxiv] HR 27 juni 1941, NJ 1941, 781
[xxv] zie Verhoeven, AA 1990, p. 502, met verwijzingen, en Asser/Hijma 5-I 2001, p. 323
[xxvi] Kaser/Knütel, p. 271
[xxvii] reeds in de klassieke tijd maar met name na de hervormingen van Justinianus; zie hoofdstuk I
[xxviii] Wel kan hij via de bepalingen van boek 6 (art. 6:165 en 6:170) ontbinding of gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst vorderen (zie hierna).
[xxix] Asser/Hijma 5-I 2001, p. 290
[xxx] Hartkamp, AA 1990, p. 296
[xxxi] Schulz 1992, p. 535
[xxxii] Dit zal een verstandige koper eisen omdat hij anders zelf de last van de verzorging van het paard tijdens de behandeling op zich zal moeten nemen.
[xxxiii] Als bijvoorbeeld een dressuurmatig afgericht en getraind paard is gekocht, is het de vraag of het na de eventueel langdurige behandeling nog wel op hetzelfde niveau kan worden gereden.
[xxxiv] Asser/Hijma 5-I 2001, p. 343
[xxxv] Asser/Hijma 5-I 2001, p. 352
[xxxvi] Asser/Hijma 5-I 2001, p. 347
[xxxvii] Door bijv. het vereiste van verzuim van de schuldenaar volgens art. 6:265 lid 2 is het zeer waarschijnlijk dat deze nakomingsactie pas na de bijzondere acties uit de kooptitel gebruikt zal worden; zie Asser/Hijma 5-I 2001, p. 422.
[xxxviii] voor de achtergrond van deze bepaling zie hoofdstuk II.2
[xxxix] zie voor een uitvoerige uitleg van dit begrip: Asser/Hijma 5-I 2001, p. 460
[xl] Asser/Hijma 5-I 2001, p. 462
[xli] Zimmermann 1990, p. 318
[xlii] zie voor een bespreking van de verplichting tot schadevergoeding: Loos 2004, p. 64 e.v.
[xliii] Asser/Hijma 5-I 2001, p. 322, en hoofdstuk I.3
[xliv] Spruit 2003, p. 35 en 42; zie ook Verhoeven, AA 1990, p. 502 e.v.

pag. 1 | pag. 2 | pag. 3